![]() |
Venezuela is erg gevarieerd: eilandjes in zee, koraalriffen, grotten, watervallen, tafelbergen, wilde rivieren, uitgestrekte graslanden, regenwoud in het Amazonegebied en de majestueuze bergen van de Andes. Daartussen liggen steden als Caracas, Puerto la Cruz, Ciudad Bolivar en Merida.
Reisverslag en foto's: Eric van der Pol & Marian Robbe
![]() |
Caracas is in november lekker warm en zonnig. We lopen richting Plaza Bolivar. Simon Bolivar bevrijdde het land van de Spanjaarden en wordt in Venezuela nog immer als een held vereerd. Op zijn plein behoor je je dan ook fatsoenlijk te gedragen; mannen met korte broek worden het plein afgestuurd. Bij zijn standbeeld worden nog regelmatig bloemenkransen gelegd.
Rond het Plaza Bolivar staan oude gebouwen; een kathedraal, het aartsbisschoppelijk paleis en een mooi gemeentehuis. Op het plein, dat meer op een parkje lijkt, is het erg druk. Mensen met thermoskannen verkopen koffie en er zijn veel schoenpoetsertjes. In een hoek van het plein luistert een grote groep mensen naar, volgens ons, een stelletje godsdienstwaanzinnigen. Veel geschreeuw.
De lucht betrekt inmiddels aardig en al snel moeten we schuilen voor de regen. Het is het staartje van de regentijd; dus een buitje 's middags is te verwachten.
![]() |
Onderweg naar Puerto la Cruz worden we regelmatig aangehouden door de Guardia Nacional. Op willekeurige punten hebben ze een kantoortje gebouwd, waar ze zich verschrikkelijk vervelen. Daarom houden ze iedereen aan. In het positieve geval stellen ze domme vragen en in het negatieve geval doorzoeken ze de bus van onder tot boven. We zien zelfs dat de banken uit een auto worden gesloopt om te controleren of er niets verdacht wordt vervoerd. Ze denken zo drugs of illegalen te vinden. Deze controles vinden in heel Venezuela plaats.
In Cumana, het oudste dorpje van Venezuela, maken we een tussenstop. Ook hier hebben ze een Plaza Bolivar met een standbeeld van onze Simon. Er is niet veel te zien. We rijden door naar Puerto la Cruz, een redelijk grote stad met een strand. In verband met de vervuiling kan er niet gezwommen worden.
's Avonds flaneren we over de Paseo Colon, waar het een drukte van belang is. Opvallend is het grote aantal Aziaten dat hier rondloopt. Het blijken zeemannen te zijn.
![]() |
Nationaal Park Mochima is een park in zee met veel eilandjes met prachtige stranden. We varen met een speedboot naar een eilandje; de beginners kunnen hier snorkelen.
Eric heeft dat snel bekeken, er is niet zoveel te zien. Hij verdwijnt aan land. Tussen de vele struiken en bomen stikt het van de vogels. Ik houd het bij een lekker ligbad in zee.
![]() |
Na een uurtje dobberen vertrekken we naar een koraalrif. Eerst varen we langs twee eilanden, Cat en Mouse, waar veel fregatvogels zitten. Daarna gaan we bij het rif voor anker. Eric snorkelt wat en is razend enthousiast over het koraal. Jammer dat er niet veel vis zit.
![]() |
De Cueva del Guacharo is een enorm grottencomplex van zo'n 10 km diep, dat door Humboldt is ontdekt. Onder begeleiding van een aantal studenten lopen we de grotten in. Na tien meter is het stikdonker. Van alles springt tegen je benen en iedereen vergrijpt zich meteen aan de anti-insectenmiddelen. Er zijn ook sprinkhanen en spinnen, krabben, kreeftjes en ratten.
Dat alles is nog niets vergeleken met de herrie die de olievogels (guacharo) maken. Deze vogels kunnen nauwelijks zien maar kunnen, net als vleermuizen, gebruikmakend van teruggekaatste geluidsgolven in absolute duisternis vliegen. Het continue gekrijs gaat door merg en been. Volgens de gids is hier het geluid voor de film 'Birds' van Hitchcock opgenomen.
We lopen zo'n kilometer de grot in. Humboldt kwam niet verder dan de eerste zaal, waar de vogels zitten. Zijn gidsen, indianen, waren bang voor de boze geesten die daar rondzwierven. Wij lopen de tweede zaal in, La Galeria del Silencio (Galerij van de Stilte). Hier is het doodstil; de vogels kunnen niet lager dan op twee meter hoogte vliegen en de doorgang naar deze zaal is veel lager. Als het licht wordt uitgedaan is het meteen pikdonker. Gelukkig gaat het licht weer snel aan, zo in het stille donker vergeet je wat links, rechts, boven en onder is.
Ons hotel voor de nacht ligt in Caripe, volgens de reisgids een agrarisch stadje op 900 meter hoogte zonder bezienswaardigheden maar met een prettige ongekunstelde sfeer. Nou, ons hotel blijkt in de middle of nowhere te staan, met een grote muur eromheen en een toegangspoort.
![]() |
Vandaag rijden we naar Cuidad Bolivar of Santo Tomé de la Nueva Guayana de la Angostura del Orinoco, zoals deze stad vroeger heette.
We maken een stop bij een zijrivier van de Orinoco, de Morichal Largo. Er liggen lage, platte bootjes klaar die er uitzien of ze ieder moment kunnen zinken. We worden al snel omringd door indianenvrouwen en -kinderen die allerlei rieten mandjes willen verkopen. Er wordt gediscussieerd of we nou echt in die gammele bootjes moeten, als er een speedbootachtig iets komt aanvaren.
Het uitzicht is vooral in de bochten fantastisch. Er vliegen veel ijsvogels en reigers. De oevers zijn enorm groen, veel palmen en waterhyacinten. Verder zitten er in deze rivier piranha's (caripe), daarop gaan we vissen. Ze blijken niet bijzonder geïnteresseerd in onze kip, alleen de stuurman vangt een vijf centimeter grote caripe met flinke tandjes. Ziet er erg agressief uit. Volgens de lokale gids zijn er maar twee soorten caripes die mensen consumeren en dan nog alleen indien ze bloed ruiken.
![]() |
Er begint weer een tropische bui en doorweekt komen we bij de bus aan. We rijden verder richting Cuidad Bolivar en drogen langzaam op. Buiten begint het weer verschrikkelijk te regenen, stormen en onweren. De bliksem slaat vlakbij in maar gelukkig gebeurt er verder niets.
Als we Cuidad Bolivar binnenrijden komen we midden in een soort demonstratie terecht. Een kilometerslange rij van auto's, jeeps, bussen, taxi's, busjes vol juichende, schreeuwende mensen. Iedereen heeft wit-blauwe T-shirts aan. Er wordt gezwaaid met vlaggen en er is veel herrie; sirenes en muziek. De verkiezingsoverwinning wordt gevierd. Er is aardig wat militaire politie op de been en het ademt een gespannen, gewelddadige sfeer uit.
![]() |
We vliegen naar naar Canaima. Daar ligt het National Park Canaima; zo'n 300.000 km2 beschermd natuurgebied. Er zijn veel tafelbergen (tepuys) en watervallen.
De tafelbergen zijn resten van het Guyana-schild, dat dateert uit de periode dat Amerika en Afrika één continent vormden. Steven Spielberg wilde hier 'Jurassic Park' filmen, maar was niet welkom. Men was bang dat de kwetsbare natuur beschadigd zou worden en dat er veel rommel zou achterblijven.
In dit gebied ligt ook de Salto Angel. Deze hoogste waterval ter wereld is volgens de reisgids ontdekt door Jimmy Angel, een avonturier uit de VS die in de jaren dertig met zijn vliegtuig klusjes opknapte voor de goudzoekers in Guayana. Van een van zijn tochten keerde hij terug met het verhaal dat hij een enorm hoge waterval had gezien. Zijn vrienden in Venezuela en de VS geloofden er niets van. Daarom vloog hij een jaar later met zijn vrouw en twee vrienden naar de top van de tafelberg Auyan Tepuy, waar de waterval ontspringt, en zette daar zijn vliegtuig neer. Helaas, door de moerassige bodem kon hij niet meer opstijgen en moest elf dagen lang teruglopen naar de bewoonde wereld. Zijn vliegtuig is door het leger opgehaald en staat nu voor het vliegveld van Cuidad Bolivar.
Na dat vliegtuig bekeken te hebben, stappen we in een klein toestel en vliegen in een uur naar Canaima. Vanuit de lucht zien we de tafelbergen en de rivieren al. Alles is enorm groen en ziet er ontoegankelijk uit. Na aankomst lopen we naar een soort kamp. Hier worden plastic zakken uitgedeeld en wordt verteld dat alles verschrikkelijk nat zal worden. We varen met een lange, smalle motorboot naar de watervallen. Het water is bruin, cola-kleurig zoals ze hier zeggen. Dat komt doordat de planten allerlei zuren in het water afscheiden. Het water schijnt erg goed voor je huid en haar te zijn.
Na een half uur varen gaan dan aan land. We beklimmen een bergje en lopen onder de Salto Hacho en Salto El Sapo door. Beide watervallen zijn zo'n twintig meter hoog en we lopen door het naar beneden vallende water. Spectaculair om eens mee te maken.
We klimmen naar het hoogste punt van het eiland en dan breekt er weer zo'n tropische regenbui los. Iedereen trekt z'n plastic vuilniszak over z'n kop; wij hebben gelukkig onze poncho's bij ons. We lopen naar de andere kant van het eiland en wachten daar op onze boot. Op de boot krijgen we het behoorlijk koud, we zijn doorweekt en door de snelheid ontstaat een aardig windje.
![]() |
We varen naar een volgend eiland. Vanwege de stroomversnellingen neemt men geen toeristen aan boord op dit stuk van de rivier, daarom steken we het eiland lopend over. Het lijkt of we in de prehistorie rondlopen, je verwacht ieder moment een dinosaurus te zien.
Rond een uur of vier komen we bij ons kamp aan. Een grote schuur zonder muren, elektriciteit of warm water, maar vol met allerlei exotische stekende insecten en spinnen.
Onder leiding van Roberto, onze gids tijdens de dagen in Canaima, lopen we naar een stroomversnelling in de rivier waar je je met een zwemvest aan kunt laten afzakken naar een lager gelegen stuk strand.
Om tien uur gaat het licht uit en klimmen we voor het eerst in onze hangmat. Het is een hele toestand voordat je daar in je lakenzak in ligt. De truc is om redelijk diagonaal te gaan liggen, dan liggen je rug en benen tenminste recht - anders kom je er 's morgens als een banaan uit. We liggen in een lange rij en als er één in zijn hangmat beweegt, schommelt de rest gezellig mee.
Na een half uurtje in de hangmat begint het verschrikkelijk te regenen. Het klinkt heel gezellig op het golfplaten dak. De hele nacht barstten er regenbuien los en klinken er allerlei tropische geluiden, die we niet thuis kunnen brengen.
![]() |
Rond vijf uur zijn we blij dat we op kunnen staan. Omdat er geen water is kunnen we niet douchen. Na het ontbijt allemaal weer de boot in. We zien de Salto Angel van grote afstand. We moeten door een riviertje waden en dan nog een uurtje klimmen om hem van dichterbij te zien. Eenmaal boven genieten we van een schitterend uitzicht op de waterval.
We lopen terug naar het beekje. Aangezien het behoorlijk warm is (rond de 35 graden) en we nat zijn van het zweet en de vochtigheid besluiten we lekker in het beekje te gaan poedelen. Daarna varen we terug naar het kamp om onze spullen op te halen en varen weer terug naar het kamp in Canaima.
Weer een nachtje in hangmatten in de open lucht, maar nu aan de rand van een meer waar vijf watervallen in uitkomen. Het ligt heerlijk, met het geruis van de waterval op de achtergrond en een briesje vanaf het meer.
![]() |
We worden vroeg wakker, de vogels fluiten en de zon kleurt van achter de watervallen de hemel rood. En dat is allemaal te zien vanuit de hangmat!
Na het ontbijt vliegen we terug naar Cuidad Bolivar en rijden naar het Amazonegebied. De busrit duurt erg lang, pas halverwege de middag nemen we een zandpad naar het kamp. En jawel, weer regent het. Het zandpad verandert in een modderpad.
Na vijf kwartier zandpad zijn we in ons kamp; een grote ronde open hut van twee verdiepingen met hangmatten met klamboe, 1 douche en 1 toilet. Er is maar een klein gedeelte van de dag water. Het kamp ligt aan de Rio Caura, een vrij brede rivier met caripes. We eten vanavond buiten, de muggen ook.
![]() |
Het Amazonegebied is een tropisch regenwoud met een luchtvochtigheid van 80 procent en een gemiddelde temperatuur van rond de veertig graden. Ik heb nog nooit zo'n groen gebied gezien.
Er staan veel palm- en andere bomen en struiken. Als je het pad verlaat verdwaal je onmiddellijk. We zien veel vogels: spechten, bijeneters en dergelijke.
Tegen de avond zwemmen we maar in de rivier; twee dagen niet douchen of wassen begint smerig te worden. Terwijl we zwemmen wordt er een soort rog uit het water gevist. We zijn dan ook snel weer op de kant.
Bijna de hele dag zitten we in de bus naar Puerto Ayacucho. Volgens de reisgids moeten we ons niet teveel van dit uit de kluiten gegroeide dorp voorstellen. We overnachten weer in een kampement. Dit keer in een eigen hutje met matrassen, douche en toilet. De hutjes met rieten daken liggen fantastisch in de middle of nowhere aan het water van de Rio Orinoco. Aan de andere oever ligt Colombia. Vanaf de rivier komt een verkoelend briesje door de vensters zonder ramen.
![]() |
Meteen bij aankomst worden we gewaarschuwd voor piri-piri's, een ons onbekend lid van de familie der stekende insecten. Het zijn heel kleine vliegjes die vanuit het gras op je benen springen en bijten. Daar voel je niets van, maar als je ze van je benen afslaat bloedt het als een rund. En dat is nog niets vergeleken met de jeuk die je de volgende drie dagen ervaart.
Natuurlijk worden we meteen flink gestoken; gelukkig alleen in de onderbenen en voorlopig lijkt er niets aan de hand. De meeste piri-piri's blijken in de badruimte te zitten. Rustig op het toilet zitten is er niet bij. Douchen gaat, zolang je maar onder het water staat.
's Nachts word ik wakker van verschrikkelijk veel jeuk aan mijn benen. Ik kan er niet van stilliggen en word gek. Eric moppert dat ik stil moet liggen, me niet moet aanstellen, dat krabben niet helpt en welterusten. Een half uur later weet hij niet meer hoe hij het heeft. Stil liggen, niet aanstellen en niet krabben! Weet je eens hoe dat is.
We worden wakker van de vogels en van het ruisen van de rivier. Op sommige stukken zijn er aardige stroomversnellingen.
Het Museo Etnologico Amazonas aan (jawel) het Plaza Bolivar laat zien hoe de verschillende indianenstammen leefden of nog leven. Er is veel over de Yanomami, die de reputatie hebben de gewelddadigste stam ter wereld te zijn. Alleen wetenschappers kunnen, met toestemming van de regering, hun woongebied bezoeken. Op deze manier blijft de eigen cultuur nog wat bewaard.
De stam is ook bekend door het gebruik van yoppo, een geestverruimend paardenmiddel dat met een buis in je neusgat wordt geblazen. Volgens de reisgids wordt het ook aan toeristen aangeboden: 'Toeristen die met yoppo experimenteren, zijn uren van de wereld. Bovendien schijnt het een zeer pijnlijke schok in het hoofd te veroorzaken en de neus en de keel te irriteren. Met een bijna sadistische lach bekijkt de bevolking de in hun ogen domme buitenlandse sullen die zich aan de yoppo wagen.'
Het is tien uur en al 36 graden. We moeten echt een bezoekje aan Colombia brengen. Voordat we op de boot mogen worden onze namen door een man van de Guardia Nacional in een schrift geschreven. Na een paar minuten varen bereiken we de overkant en moeten ons melden bij de plaatselijke politie, twee mannen aan een tafeltje op een terrasje. Er staat een rij, maar we mogen onmiddellijk voor. Voor de Venezolanen is Casuarito, zoals het plaatsje heet, een soort belastingparadijs.
![]() |
We lopen wat rond, drinken een colaatje en hebben nu ook een stempel van Colombia in ons paspoort. Het is ondertussen zo'n veertig graden. Behalve vlees is ook leer hier heel goedkoop. Drie kwartier later en een tas rijker gaan we terug naar Venezuela.
Op het kampement kleden we ons om voor de Tobogan de la Selva, een driehonderd meter lange natuurlijke glijbaan. De rotsbodem van een ondiepe rivier is bedekt met algen. Gecombineerd met snelstromend water en gladde rotsen levert dat een spectaculaire glijbaan op. Langs de kant is een betonnen schutting en je moet oppassen dat je daar niet tegenaan knalt.
Vanuit ons hutje zien we de zon boven de rivier ondergaan. We lopen wat langs de oever en gaan eten. 's Nachts blijkt dat de klamboe en lakenzak niet piri-piri-bestendig zijn; we worden lek gestoken.
![]() |
Het wordt weer een lange dag in de bus. Onderweg moeten we drie rivieren met pontjes oversteken, dat geeft nog enig amusement. Na een overnachting in San Fernando de Alpure rijden we door naar Puentas de Nutrias, een klein plaatsje in Los Llanos.
Los Llanos is een uitgestrekt vlak gebied met graslanden en water. De rivieren treden regelmatig buiten hun oevers, waardoor moerasgebieden ontstaan. Dit is het deel van Venezuela dat het land van vlees voorziet. Het landschap lijkt erg op Nederland, zelfs de koeien ontbreken niet.
![]() |
Al snel zien we een ondergelopen weiland met een krokodil en wat roze lepelaars en rode ibissen. Verderop zien we ooievaars en een 'jarebu', die op een ooievaar lijkt maar meer dan een meter hoog is. Er is zoveel te zien dat je in de bus soms niet weet welke kant je op moet kijken.
We overnachten op een 'finca', een boerderij van een grootgrondbezitter. Na aankomst blijkt het een klein soort Centerparcs te zijn met redelijk luxe kamers en een zwembad. Er vinden toevallig festiviteiten plaats. Verderop is een grote kiosk waar hanengevechten worden gehouden. Op zich is dat hanengevecht niet zo bijzonder, de mensen eromheen zijn dat wel. Er wordt flink gegokt en geschreeuwd.
![]() |
Rond zeven uur begint een rodeo op een lang stuk wei omringd door ijzeren hekken. Op de bovenste stang kun je zitten en van twee meter hoogte de rodeo volgen. Vier mannen te paard betreden de arena en de stier wordt losgelaten.
Het is de bedoeling de stier binnen vier minuten zo vaak mogelijk op zijn zij te gooien. Dat doen ze door de staart te grijpen en schuin op het paard te gaan hangen. Er hangt hier een wildwestsfeertje, er lopen veel stoere zoontjes van rijke veeboeren rond en alle mannen gedragen zich erg macho.
Verder is er een grote barbecue. Met al dat vee is er vlees genoeg. 's Avonds zijn er live optredens en danst de plaatselijke bevolking. De plaatselijke dans blijft voor ons een mysterie; rare pasjes die absoluut niet bij de muziek horen. De hoeveelheid alcohol die genuttigd wordt is aanzienlijk. Je struikelt over de lege bierflesjes; is het flesje leeg, dan gooi je het gewoon op de grond!
Tijdens een boottocht over de Apure gaan de caripe-hengels en pollo (kip) mee, zoals gebruikelijk. De rivier is vrij breed maar na twintig minuten wordt die aanzienlijk smaller en zien we de eerste ijsvogels. We gaan op zoek naar de dolfijnen, die hier voor moeten komen. Waarschijnlijk hebben ze een vrije dag, want we krijgen ze niet te zien. We draaien een kleine zijarm van de rivier op, het wordt behoorlijk smal en we zien van alles, zelfs de 'hoatzin': een soort prehistorische vogel met klauwtjes aan de uiteinden van zijn vleugels.
![]() |
Op een eiland waar veel schaarbekken zitten gaan we aan land om de pas gelegde eieren te zoeken. Het is namelijk het broedseizoen voor deze vogels. Vrij snel vinden we kuiltjes in het zand met 1 tot 4 eieren.
's Middags hangen we wat rond het zwembad van de finca. Rond drie uur besluiten we wat in de omgeving rond te kijken. We lopen over een rustig pad waar we zo nu en dan een fietser tegenkomen. Veel vogels zien we niet, het is nog wat vroeg. Er zitten wel veel koereigers en we zien zelfs een felrode mus.
![]() |
Merida ligt op 1500 meter hoogte. Om er te komen moeten we een bergpas op 4000 meter hoogte over. We hebben dan ook twee warme truien in onze tas. Eerst rijden we door een vlak groen graslandschap met veel water, maar al snel komen er steeds meer bomen en rijden we de bergen in. Er staan metershoge kerststerren langs de weg en veel andere 'kamerplanten', zoals aronskelken en hortensia's.
Op 2500 meter hoogte is er een mooi uitzicht over de vallei, met veel groen en palmbomen. Er staat een soort boom met felgele bloemen in bloei. De temperatuur wordt aangenaam, zo'n 25 graden.
Onderweg stoppen we om de Venezolaanse edelweiss te bekijken. Het groeit alleen hier, heet 'frailejon' en lijkt geen velden of wegen op de edelweiss in de Alpen. Het zijn grote rozetten met daaruit wat stengels met gele bloemetjes. In de verte is het klooster Los Frailes te zien. Het lijkt erg op Oostenrijk en om dat verder te versterken zijn er vakwerkhuisje gebouwd.
![]() |
We klimmen via veel haarspeldbochten verder naar Paso Pico El Aquila op 4007 meter. Als je uitstapt en wat rondloopt merk je niets van de ijle lucht. De temperatuur valt reuze mee, 7 graden.
We lopen een heuveltje op om van het uitzicht te genieten en na tien meter klimmen krijgen we het toch wel wat benauwd. We moeten zelfs even uithijgen.
Het uitzicht is adembenemend. Er is geen boom meer te zien, alles is rotsachtig en er groeien kleine plantjes. Er staat een soort struik in bloei, wat de bergen in een rose-paarse gloed zet. Eric klimt over een muurtje en loopt iets naar beneden om te fotograferen. Het kleine stukje terug naar boven valt niet mee.
![]() |
We lopen naar het kapelletje bovenop de berg en gaan daarna het cafeetje in. Daar drinken we een plaatselijk, sterk alcoholisch drankje om weer op temperatuur te komen.
Er worden hier wanten en bivakmutsen verkocht en de Venezolaanse toeristen lopen met dikke jassen en mutsen. Wij vinden de temperatuur wel lekker en vinden hen verschrikkelijke aanstellers.
We rijden de pas af naar Merida, waar we in een pousada slapen. Zodra we aankomen begint het weer eens lekker te regenen. 's Nachts worden we regelmatig wakker van de regen maar als we opstaan is het onbewolkt en zonnig.
![]() |
De attractie van Merida is de Teleferico, een kabelbaan naar 4000 meter hoogte, waar je mooie wandelingen kunt maken. Hij gaat vandaag wegens werkzaamheden maar tot het eerste station, op zo'n 2400 meter.
Het is vrij bewolkt maar het tropisch regenwoud waarover we vliegen ziet er mooi uit. In het bergstation drinken we wat warms en overleggen of we terug naar Merida zullen lopen. Volgens de reisgids is dit een mooie tocht door het tropische nevelwoud, 9 km lang en maximaal 6 uur.
Het pad is redelijk te doen en de omgeving is fantastisch. Grote varens, veel bloeiende planten en begroeide bomen. Zo nu en dan hebben we een mooi uitzicht op het 1000 meter lager gelegen Merida. De hele tocht komen we geen mens tegen.
![]() |
Vandaag maken we de langste bustocht. We vertrekken rond zeven uur en komen om acht uur aan in Chichiriviche. We stoppen alleen voor eten en drinken en zitten verder de rest van de dag maar wat voor ons uit te staren of te slapen. Chichiriviche is volgens de reisgids een klein en stoffig toeristenplaatsje. 'De meningen over dit plaatsje zijn verdeeld, sommige toeristen vinden het een desolaat plaatsje zonder flair met ongeasfalteerde zijwegen en armoedige huisjes. Anderen vinden de sfeer juist ongedwongen. Het opvallend grote aantal slijterijen is een duidelijk teken van de sociaal-economische problemen in dit schizofrene, toeristische vissersdorp.'
We komen aan in het donker, alles ziet er inderdaad wat achterbuurt-achtig uit. We eten in het hotel en maken plannen voor morgen. We huren een boot naar Cayo Sombrero, een eiland met een bounty-strand.
Het is onbewolkt en warm. Een ideale dag voor het strand. We gaan met twee speedboten naar Cayo Sombrero. Het eiland, dat in het Morrocoy National Park ligt, ziet er fantastisch uit. Het water is heel helder en er staan bomen om lekker onder te zitten. We slepen alle spullen van de boot naar het strand en willen onder de bomen gaan zitten. Wie komen we daar tegen? Onze piri-piri-steekvrienden!
![]() |
Snel verhuizen we alle spullen naar een plekje in de zon. Het probleem is nu dat je in het water moet blijven of in de volle zon moet zitten. Wij zitten dus de hele dag in het water. Zelfs de lunch nuttigen we in het water. Eric snorkelt wat af. Er zitten veel vissen maar van het koraal is niet veel over.
Roodverbrand vertrekken we laat in de middag naar de mangrovebossen. Veel vogels zien we niet, we zijn veel te vroeg. We bezoeken een grot met rotstekeningen van indianen en een grot met allemaal Mariabeeldjes. Tenslotte varen we terug naar het hotel. Vanavond afscheidsdiner. Morgen vertrekken we vroeg en rijden in een ruk naar Caracas voor het vliegtuig naar Nederland.
|
|
|
|
Reisverslagen Venezuela | Vakantie Venezuela boeken