×
Welkom Reisverslagen Reizen Boeken Blog Anders Reizen Contact

Rondreis Cuba

Chaotische steden, fraai golvende landschappen en verlaten snelwegen

Reisverslag: Cees Geuzebroek
Foto's: Cees Geuzebroek

Af en toe duikt er langs de bijna verlaten snelweg een verkoper op met gegrilde kip, een hele kalkoen, bananen of gegrild varken en palmsuiker. Ondertussen slingert de weg door het ene fraaie landschap na het andere, met suikerriet, bananenbomen, groene leisteenheuvels en doorkijkjes naar zee. De steden zijn chaotisch maar sfeervol, met pastelkleurige gebouwen, oldtimers, de gekste vormen van openbaar vervoer, veel monumenten en muziekhuizen waar de hele dag optredens zijn.

Na twee dagen uitrusten op het strand van Valadero gaan we met de Cubanacan-bus naar Havana. Onderweg veel grote roofvogels, ook in bewoond gebied. En veel oude Nederlandse bussen met Groepsvervoer of Floriade op het bord.

Aan het eind van de middag wordt de chaos op de weg groter: oldtimers, gewoon oud en ook wat nieuw, kriskrassend langs de vele Lada’s. En dan, na een tunnel vol stank, zijn we in Havana, inderdaad heel verpauperd.

Havana

Het Capitolio is 6 meter hoger dan het origineel in Washington

Ons hotel ligt buiten de stad. De volgende dag nemen we de bus naar Havana. Eerst via 5th Avenue, die later overgaat in de Malecon, 5 km boulevard, drie autobanen en veel spetterende golven. We rijden langs Hotel Nacional, dat trots op de heuvel staat. Dan de hoek om en aan de baai, bij Castillio de la Real Fuerza, worden we afgezet.

Op het Plaza de Armes worden we omringd door muzikanten, Inge worden sambaballen in de hand gedrukt, ze moet meedoen en dan betalen. Dan slenteren we door de straatjes, heerlijke chaos, overal muziek, de huizen oud en vervallen, opgeknapt of al jaren in de steigers, alles door elkaar.

We lopen door en komen op Plaza de San Francisco, met de gelijknamige kerk, er staat een bruidje tussen de duiven. Kris kras door de straatjes, in de verte ligt het Capitolio (6 meter hoger dan het origineel in Washington).

Voor het Capitolio staat een grote rij Amerikaanse oldtimers, mooi gezicht. Ook komt er een ‘kameel’ langs, een busachtig gevaarte getrokken door een vrachtwagen, waar ze 150 man in weten te persen; ze hangen versuft uit de ramen.

We lopen de Obispo door, ooit de drukste winkelstraat, nu vooral druk en vervallen, al begint het herstel zich af te tekenen. We lopen een oude bank binnen. De kluisdeur in de kelder is een pracht staaltje techniek en verder is er veel ‘vervallen’ geld te zien.

Dan zoeken we de Bodeguita del Medio, maar eerst het Plaza de la Catedral. Mooi, veel muziek en even geen stank. De kathedraal is niet echt spannend. De bodeguita (‘kleine bodega’) waar Hemingway vaste klant was ook niet. Wel wordt deze toeristisch uitgebuit (Hemingway moest eens weten).

We lopen langs een apotheek met mooie ‘gif’flessen. Dan langs het pand van Bacardi en door naar de Plaza de la Revolucion, waar we op een bankje uitpuffen, de voetjes beginnen het op te geven.

Daarna lopen we voor wat zeelucht over de Malecon, de zee spat er overheen. Veel vervallen panden, maar bij eentje zie je dat een kwast wonderen doet. Verderop scheppen ze een emmer vol specie en sjouwen die naar binnen; geen wonder dat het zo traag gaat.

We steken over, een levensgevaarlijke onderneming. We zoeken Hotel Sevilla op, ook prachtig van binnen en gaan met de lift naar de negende verdieping, waar je een mooi uitzicht over de stad hebt.

Dan naar Hotel Inglattera, op straat zit een hele band, maar wij gaan rechtstreeks met de lift naar vijf hoog. Daar heb je uitzicht naar alle kanten, aan de achterkant lijkt het of er een bom is ingeslagen. We nemen een biertje en genieten van de zonsondergang.

Pinar del Rio

Niet voor niets wordt dit als het mooiste stukje Cuba aangeduid

We verlaten de Marina ‘s ochtends vroeg naar de westelijke provincie Pinar del Rio. Eerst richting Mariel, langs de kust, goede weg en geen verkeer te bekennen. Alleen in de plaats zelf is wat verkeer.

Dan zoeken, want verkeersborden zijn schaars. De routebeschrijving moet helpen. We zoeken de snelweg, plots zien we een viaduct.

We nemen de afslag en ja hoor, een zesbaans autosnelweg, waar geen kip te bekennen is. Af en toe wat fietsers, een stinkende vrachtwagen en bij de viaducten, waar bij de helft geen weg overheen gaat, staan mensen op vervoer te wachten en sommigen liften. Af en toe duikt er langs de weg iemand op met gegrilde kip, een hele kalkoen, bananen of gegrild varken en palmsuiker.

We tuffen door en pas bij Pinar del Rio wordt het wat drukker. We slingeren verder, voorbijgaand aan de sigarenfabrieken, die komen we later nog wel tegen, richting Vinales.

Wat een prachtweg, het landschap wisselt steeds. Bij hotel Los Jasminos hebben we uitzicht over de Vinales vallei. Veel ‘mogotes’ (groene leisteenheuvels). Dan verder het dorp in.

Bij een fruitstal onderweg stoppen we, vier grote grapefruits en wat bananen en het alleraardigste mannetje moet per se een ananas voor ons schillen, heerlijk.

We gokken de weg een paar keer en uiteindelijk, inmiddels in suikerrietgebied, zien we de zee en ten slotte komen we in La Palma. Dat weten we omdat we toevallig een gelijknamig hotel zien.

Op het kruispunt staat voor de verandering wel de richting aangegeven, maar deze druist geheel tegen ons gevoel in. Maar het blijkt toch goed. Boven ons blijven de gieren cirkelen. Ik heb al een paar keer geprobeerd ze te fotograferen. Zelfs eentje op een paal, maar doordat de flits dacht dat ie moest helpen, duurde het te lang… vogel gevlogen. Later stoppen we weer en dan zijn er drie tegelijk voor de lens, maar niet dichtbij genoeg.

Het is echt een prachtreis, niet voor niets wordt dit als het mooiste stukje Cuba aangeduid.

Later wordt de weg wel wat hobbelig, of soms zelfs een gatenkaas, maar ja wat wil je, zo weinig verkeer.

We rijden door en zien weer zee en ook veel bloeiend suikerriet. Dan een weg die ik herken en ja hoor, we staan weer bij het snelwegviaduct. Dan maar via de lege zesbaans. Maar welke afslag? Er staat weer niets aangegeven of het bord is niet te lezen. We gokken, zijn al te dicht bij Havana, maar vinden, na vragen, toch de Marina weer.

We rijden de volgende ochtend 5th Avenue af en komen via de Malecon bij de tunnel. Het regent, maar op zondag slapen de Havanezen ook uit, dus het is lekker rustig. Dan zoeken naar de Monumental, de rondweg; in de regen steeds fluitende Cubanen, die wel de weg weten, maar ook willen meerijden.

We moeten de A1 hebben. Het is nu echt een stortbui, één grote watermassa op de weg, kuilen niet meer te zien, laat staan de afslag, weer zonder borden. Als we er voorbij zijn, beseffen we dat we de afslag hebben gemist en rijden zachtjes door met beslagen ramen.

Uiteindelijk steken we verderop via de middenberm over, we rijden er weer voorbij, dan maar achteruit en dan ligt een achtbaansweg voor ons. Voor de zekerheid checken we het en ja, het is goed. Na een km of 5 wordt het droog, de gordel is nat van de lekkage, maar nu kunnen we doorrijden en we zien steeds minder auto’s.

Bij het bordje 80 km (vanaf Havana) is de weg helemaal voor ons. Later wordt de weg zesbaans, maar het blijft vreemd dat er zo veel ruimte is voor geen auto’s. Bij km 140 moeten we er af en dan de polder in bij Jaguey Grande.

We rijden door wisselend landschap langs Guama, de krokodillenfarm. Dan naar de kust, de Bahia de Cochinos; de Varkensbaai. Overal monumenten voor de overwinning van Castro.

We rijden Playa Larga voorbij, een kuuroord met strand. Bij Playa Giron strijken we neer op een rustig strand, lekker veel wind en we nemen het ervan. We worden alleen gestoord door een oude visser, die een briefje in het Duits geeft, hij heeft een heerlijk maal voor $10, vis en patat, die hij op het strand wil serveren, maar wij hebben al gegeten.

Na deze heerlijke stop verder, maar dat is weer even gokken, een paar keer worden we door locals de andere kant op ‘gefloten’ en uiteindelijk rijden we via Yaguaramas naar Cienfuegos. Onderweg zien we nog een gier midden op de weg, een lijk aan het verscheuren, een veld met bananen en verder weer veel suikerriet.

In Cienfuegos blijkt ons hotel kilometers buiten de stad te liggen. We gaan eerst langs de begraafplaats, waar een rijke suikerboer begraven ligt in een praalgraf in de vorm van het Pantheon uit Athene. Vreemd gezicht hier.

Terug in de stad rijden we langs de kust, dan door de arbeiderswijken, groezelig, en dan naar het Parque José Marti, waar de mooie gebouwen staan. Het Teatro bekijken we van binnen, prachtige plafondschilderingen.

Dan is het tegen vijven en omdat het hier om zes uur donker is en we niet weten hoe ver het nog is, rijden we de stad uit. Na ruim 20 minuten vinden we ons mooie hotel aan zee. Jammer dat we morgen alweer weg moeten.

Trinidad

Een Unesco-dorp met mooie kleuren en oude panden

De volgende dag rijden we naar Trinidad, door een weer heel ander, fraai golvend landschap. In de verte de bergen. Een meisje verkoopt ons grote bananen. Zeep wil ze hebben, moeten we onthouden.

Verderop veel gieren, als we erop af gaan, gaan ze allemaal naast elkaar zitten op een hek, een stuk of negen, mooi voor de foto. Dan klappen we en weg vliegen ze.

Uiteindelijk komen we in Trinidad aan, veel keien op straat en lastige types, die ons bij hun moeder willen laten eten. Het ergste is dat gefluit, zeggen dat je de weg niet in mag en dan begint het verhaal. Met ramen en deuren dicht vinden we een parkeerplaats, waar een oud mannetje de wacht houd. Gewoon een dollar geven en alles staat safe (koffers).

We dwalen wat door dit Unesco-dorp, mooi die kleuren en oude panden en weer veel muziek. Dan over een toeristenmarkt.

Vervolgens op naar Playa Ancon, een schiereiland, 12 km vanaf de stad.

De eerste de beste parkeerplaats op, waar een knaap een provisorische P heeft gemaakt, en wij liggen veilig aan het strand. Bloedheet, veel zee-egels en verderop het echte strand. Maar wij houden het hier uit en zwemmen twee keer.

Na anderhalf uur rijden we weer terug naar Trinidad, we kijken op de kaart en een restauranthouder spreekt ons in het Engels aan, of we verse kreeft en gamba’s willen. Het eten is echt voortreffelijk, een goed stuk vlees en heerlijke zoete gamba’s.

Sancti Spiritus

Alle plaatsen onderweg maken een desolate indruk

Dan verder richting Sancti Spiritus. Het is opvallend hoe goed alles hier staat aangegeven, ook de bezienswaardigheden. We stoppen bij een uitkijkpunt over de Valle de los Ingenios, met in de verte donkere wolken.

Dan zien we de Torre Iznaga al boven het landschap uitsteken, een 45 meter hoge toren die werd gebruikt om toezicht over de slaven te houden. We rijden er naartoe en klimmen naar boven.

Tegen vieren zijn we in Sancti Spiritus. We rijden over de enige stenen boogbrug van het eiland (uit 1830) naar Hostel del Rijo. Midden in het centrum en echt gaaf. Hoge plafonds, alles in stijl en een fraaie binnentuin.

In perfect Engels worden we geholpen, krijgen een plattegrond en horen helaas dat de Casa de Trova deze dagen gesloten is.

We gaan dineren bij Martha, een ‘parados’, dus bij mensen thuis. In het donker lopen we drie straten verder en zien hoe de Cubanen in een kale kamer onderuit naar de TV kijken. We komen binnen: rode nepleren stoelen, een keuken en wij moeten naar boven.

We zitten onder een parasol op gietijzeren stoelen, er is een slaapkamer die met licht aan open staat en nog een stel. We wachten zowat een uur. Krekels en wierook, maar ook de geur van knoflook uit de keuken beneden.

Dan komt een erg aardige oudere dame met soepstengels, salade en uiteindelijk de soep. Daarnaast mangosnippers en sinaasappel op een schoteltje. Ondertussen gaat de dochter de slaapkamer in en in nachthemd komt ze weer naar buiten en helpt vervolgens met opdienen. We krijgen kip en garnalen, overheerlijk.

We zijn hier twee nachten en besluiten naar de noordkust te rijden, zo’n kleine 100 km. Via Placetos en Remidios komen we aan in Caibarain. Alle plaatsen onderweg maken een desolate en vervallen indruk.

Volgens de gids zijn er een paar kleine strandjes. Dat klopt, meer gras dan zand, maar wel heerlijk rustig en de zon schijnt volop. Wel hangen er wat locals rond, die zich later onder de bomen nestelen. Tegen tweeën gaan we richting dorp en vinden het vervallen hotel Nacional, dat nu een heerlijke eettent is.

We scheuren weer terug naar Sancti Spiritus en als we over een brug gaan, worden we staande gehouden door een agent. Ik de auto uit en hij springt in de houding, begint in het Spaans te ratelen, wijst op een bord aan deze kant van de brug met max 40 km. Ik probeer nog of ie Engels kan en wil hem uitleggen dat er aan de andere kant, net voor het bord een bus stond. Hij begint te wapperen, rij maar door.

Caya Coco

Een 17 km lange dam leidt naar het eiland

De volgende dag zijn we al vroeg op weg en vinden makkelijk de weg naar Ciego de Avila, waar we naar boven gaan. Onderweg zijn ze aan het asfalteren, potje teer en dat in de gaten gieten en dan zand er over. Het verkeer dendert er overheen. We komen de bus naar Hilversum NS tegen en verder veel fruitbomen en suikerriet.

In Maron lopen we even door het station uit 1923 waar de trein net binnenkomt. Grote oude wagons, mensen hangen er half uit. Verder is het in de stad één grote fietschaos. We vervolgen de weg naar Caya Coco, één van de mooie eilanden hier voor de kust.

Plots zien we een Hollands dorp, tenminste zo lijkt het. De vrouw van Castro is ooit in Nederland geweest en dat vond ze zo leuk, dat hier een dorp nagebouwd is. Al staan er ook veel vakwerkhuizen, zeker ook bij onze buren geweest.

We vragen het nog een keer en dan zijn we aan het begin van de 17 km lange dam die naar het eiland leidt. Eerst paspoort laten zien, dan betalen en plankgas over de dam. In de verte een paar streepjes land en geen horizon, vreemd, water en lucht lijken in elkaar over te gaan.

Op het eiland Caya Coco rijden we eerst naar de noordkust, veel resorts, klein strandje, is dit het nou? Volgens de receptionist in het vorige hotel kon je, via Romana, het volgende eiland, doorrijden en dan weer oversteken naar land. Dit staat echter niet in ons boek. We proberen het toch.

Een tijd lang rijden we op een weg, wel in de goede richting, maar toch met twijfels, plots wordt ie slechter en dan een brug en… We gaan terug en komen dan weer op de toegangsweg.

We besluiten bij zo’n resort naar binnen te lopen, dus weer plankgas naar het noorden en vinden dan een mooi strand, gewoon langs de receptie lopen.

Camaguey

We verdwalen hopeloos in het chaotische stratenplan

Als we terugrijden, moeten we aan het begin van de dam weer betalen. We komen hier wel zeven gele Nederlandse bussen tegen, Baarn NS, Roelofarendsveen, vreemde gewaarwording. De routebeschrijving zegt dat we terug naar Ciego de Avilo moeten, maar wij steken ‘binnendoor’, al staat er geen bord. Na 15 km houdt de weg op.

Weer terug en dan bij Maron links af en dan richting Bolivia. Onderweg moeten we een spoorlijn oversteken, dus stoppen we in verband met de hobbels en plots komt er een trein te voorschijn, dat is schrikken. Door maar weer, op een splitsing nemen we weer de verkeerde weg. Terug en dan vinden we de laatste kilometers naar Camaguey.

We rijden soepel de stad in, vragen drie keer de weg en verdwalen hopeloos in het chaotische stratenplan en eenrichtingsverkeer.

Een knaap voor ons vraagt of we naar het Gran Hotel moeten en rijdt ons op de fiets vooruit, kris kras door de stad en ja hoor, daar zijn we. De kamer is wat oud, maar op het dak schijn je mooi uitzicht te hebben.

Het is een prachtige avond, we zitten hoog, op de zevende en kijken naar het onbegrijpelijke stratenpatroon.

We worden diverse keren wakker vannacht, door gekrijs en muziek. De eetzaal, waar we al vroeg ontbijten, geeft door het openstaande raam mooi zicht op de stad.

Santiago

In het Casa de la Trova treden de hele dag bandjes op

De 125 km naar Las Tunas leggen we rap af door een saai landschap, vlak en met koeien. En dan door naar Bayamo.

We strekken de benen onderweg en lopen langs de ‘helden’, een gedenkteken van revolutionairen met alle koppen in brons. We zien een sigarenfabriek. We gluren door de jaloezieën naar binnen, want naar binnen mag niet, maar je krijgt toch een indruk.

Dan verder door provincie Granma en het landschap wordt weer interessanter. Bij Palma Soriano slaan we af richting El Cobre, de bergen in. De kerk van het dorp zie je al van verre. We rijden er heen en worden meteen besprongen. Een lange slungel met een toeristenkaart van 2 jaar oud verspert de toegang, ja: betalen, nee: omdraaien.

Aan de andere kant zitten mannetjes die zeggen dat we wel naar boven kunnen rijden, dus rijden we door. Een foto en dan weer verder, op naar Santiago. Dat zie je al snel liggen, het is vooral groot.

We rijden naar de Catedral en parkeren daar. Dan doen we de highlights, de kathedraal, Hotel Casa Granda en Casa de la Trova, weer zo’n heerlijk muziekhuis. Hier betaal je een paar dollar en dan kun je de hele middag of avond luisteren naar optredens van verschillende bandjes. Er zijn veel opgeknapte gebouwen, maar ook veel vervallen en voor de rest heerst in Santiago vooral een havensfeer.

‘s Avonds willen we naar Casa de la Trova. De ene zaal gaat bijna dicht en de tweede is nog niet open. Jacqueline gaat lekker dansen met de master, maar die wil dan geld zien, de wc is verstopt, maar de muziek is goed.

‘s Ochtends gaan we verder de berg op naar het Castillo del Morro, een kilometer of 10 buiten de stad. Dat ligt er prachtig bij, hoog boven de baai die uiteindelijk naar Santiago gaat. Mooi gerestaureerd en een schitterend uitzicht. Dan dalen we af, volgen een bord naar de Plaza de la Revolucion, hadden we dat maar niet gedaan. Dus we gaan terug en nemen de zelf gekozen route, dat werkt. Een groot bronzen beeld van Antonio Maceo (een generaal die eind 19e eeuw voor onafhankelijkheid van Spanje streed) te paard, prachtig, dan terug.

Na wat zoeken in de hitte vinden we de Moncade kazerne, het museum van de 26e juli (die dag begon in 1953 de opstand van Castro c.s.). Nu grotendeels school, maar een klein deel museum. Boven de ingang hebben ze de kogelgaten laten zitten. Veel over het begin van de revolutie, maar niets bijzonders.

Het is bloedheet in de stad, dus we gaan naar buiten, 20 km verderop vinden we een strand dat alleen door Cubanen wordt bezocht, Playa Siboney. Het strand is druk en onrustig. Ze lopen af en aan, veel verkopers met van alles en nog wat (hier zit wel geld) en de prachtigste vrouwen.

Na de lunch gaat het regenen en daarom rijden we de bergen in. We klimmen pittig steil omhoog. Boven en half over de bergen hangen wolken, af en toe kom je toch nog iemand tegen. We maken een foto en genieten van de stilte. Het doet haast pijn aan je oren.

Dan dalen we weer af, terug naar de stad. We parkeren op de Plaza de Dolores en zwerven nog wat rond. We bezoeken het Museo Bacardi, niemand bij de entree, maar we worden teruggefloten. De kaartjesdame komt aansloffen, moest even naar het toilet. Veel dingen die Bacardi op zijn wereldreizen heeft meegenomen en veel schilderijen zijn hier te zien.

Dan verder naar Casa de la Trova, in de zaal waar we gisteren zaten, zitten nu mensen te eten. Ernaast is een groot pand, waar veel trommelaars zitten, in een grote lege zaal met pilaren en balkon.

Op het plein voor de kathedraal staan veel kinderen, veel rumoer en ze gaan zo rennen. Motoren voorop en wat gaan ze hard van start. Sommigen lopen op blote voeten.

Guantanamo

De zesbaans snelweg was als landingsbaan bestemd

Het blijft de hele nacht regenen. ‘s Ochtends is het droog, maar de lucht is nog steeds donker. Na het ontbijt rijden we richting Guantanamo. De stad uit bij Hotel Santiago en dan kruisen we een snelweg, maar er zijn geen borden, we vragen het aan de gendarme en we moeten rechtdoor.

Flink in het gas en bij een controlepost op de verder lege snelweg word ik aangehouden. Je mag hier maar 40, maar dat is al vaker goed gegaan. Nu niet, alle papieren willen ze zien, paspoort, rijbewijs…

Na veel excuses loopt ook dit weer met een sisser af.

Als we bijna in Palma zijn, zonder bord naar Guantanamo, heb ik er echt de balen van. We gokken bij El Luis de goede richting op te rijden. We hobbelen over prutwegen. Maar uiteindelijk via La Maya komen we op de weg naar Guantanamo. We zien een lorry met brommermotor, er kunnen vier man mee via de spoorbaan; handig, tenzij er een trein aan komt.

Even verderop ligt de beloofde zesbaans snelweg, uit het niets. Hij is er niet voor het verkeer, maar omdat ze hier ergens vliegtuigen hadden verstopt en deze weg als landingsbaan kon worden gebruikt. Verder naar Guantanamo. Ruim opgezet, huizen met verdiepingen en lekkere chaos.

We rijden door naar Yateritas. Het is een mooie verlaten baai, maar wel veel rotzooi. En als ik in een waterig zonnetje langs de kust loop, zie ik aan het eind een hutje met twee soldaten. Stel je voor dat die Amerikanen hier landen. Als we weg gaan komt er een vrouw uit het niets, of we een mooie schelp of schildpaddenschild willen, maar dat willen we niet.

Om 3 uur zijn we terug in Santiago en we rijden meteen door naar de Santa Ifigenia begraafplaats. Groot en theatraal, wel mooi. Dan naar het centrum, achter een NZH bus aan en parkeren bij Dolores. Rechtstreeks door naar Casa de Trova en daar is het echt swingen.

De volgende dag rijden we naar Holguin. Weinig te beleven, wel af en toe flinke hobbels en gaten en inmiddels weer wolken en dan nog 60 km door naar Guardalavaca. Na deze rondreis verdienen we wel een paar dagen strand. De eerste dag is het nog wat bewolkt, maar daarna schitterend.

Banner Stem & Win

Zelf een reisverslag schrijven

De honderden reisverslagen op deze site zijn allemaal geschreven door reizigers zoals jij en ik. Ook jouw verslagen zijn welkom: over nieuwe bestemmingen, maar ook over bestemmingen waarover al verslagen op de site staan. We mailen je graag onze uitgebreide tips en aanwijzingen voor het schrijven en aanleveren van een reisverslag.
Ik wil zelf schrijven!
Banner Stem & Win